Search Google

5/22/15

Piketty’s Kapitale Fouten: Wat is kapitaal?

Twee weken geleden heb ik op deze plek kort besproken wat er zoal niet klopt aan de theoretische onderbouwing van de centrale theses in Thomas Piketty’s Kapitaal in de 21ste eeuw, en dat is een hoop. Maar wat veel linkse recensenten en economen vooral als een dolle verkondigden zodra ze over dit boek begonnen te schrijven, is dat het een cruciale bijdrage levert op datavlak. Piketty’s “model” van de kapitalistische economie heeft inmiddels ook uit die hoek redelijk wat kritiekontvangen, maar voor de grafieken en tabellen en datareeksen die hij presenteert is het vooral lof geweest: revolutionair is het, zegt Paul Krugman, en hij verdient er wellicht zelfs een Nobelprijs voor, zegt Larry Summers. En niet al die lof is onterecht. Het soort historisch datawerk dat Piketty en een aantal van zijn collega’s, in het bijzonder Oxford-econoom Tony Atkinson, hebben uitgevoerd is belangrijk maar saai, en krijgt vaak niet het krediet dat academici ertoe verleidt er jaren van hun carriere aan te besteden.

Wat zijn die datareeksen precies? Hoewel Piketty in zijn boek vooral schrijft over Canada, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, zijn het historische gegevens over de hoeveelheden kapitaal en nationaal inkomen in een twintigtal landen, en over de verdeling van dat kapitaal en inkomen binnen die landen. Sommige van die reeksen beginnen in 1700, sommige 1870, en sommige rond de geboorte van het kindeke Jezus. Nuttig om te hebben, die gegevens. Sommige van de reeksen zijn gebaseerd op betrouwbare informatie, sommige op intrapolatie, sommige op extrapolatie, en andere op speculatie. Het zijn deze series die ten grondslag liggen aan de grafieken in zijn boek, en een aantal van die grafieken is vrij interessant.

Slordig of misleidend
Verdrietig genoeg zijn er ook redelijk wat figuren en getallen die slordig of zelfs diep misleidend zijn. Soms zijn de fouten klein – zo geeft Piketty overzichten van Amerikaanse inkomensbelastingtarieven en minimumlonen die in iedere zin fouten bevatten die ze beter in zijn linksige verhaal doen passen – maar soms zijn ze van cruciaal belang voor de kern van zijn betoog. Piketty claimt bijvoorbeeld dat de top-1% sinds 1970 een steeds groter percentage van het kapitaal in de Verenigde Staten heeft weten te bemachtigen. Zoals Berkeley-econoom Alan Auerbach en mijn collega Kevin Hassett hier betogen, onderbouwt hij dat door slinkse trucs: hij behandelt het gemiddelde percentage voor 1983 en 1989 als kwame het uit 1980, het gemiddelde van 1992, 1995 en 1999 als 1990, en 2001 en 2004 als 2000; zonder die trucs is er geen eenduidige trend, en is dat percentage sinds midden jaren-90 zelfs gedaald in Piketty’s eigen data.
De Fransman beweert ook dat de periode van de Eerste Wereldoorlog tot 1980 er één was met uitzonderlijk lage kapitaal/inkomensratio’s, dat die tijden voorbij zijn, en dat de boel nu gaat escaleren, gebaseerd op, bijvoorbeeld, figuur 5.8. Die figuur geeft inderdaad die indruk. Maar de uitzonderlijk lage ratio’s tussen 1920 en 1990 in die grafiek kun je niet verklaren door de effecten van progressief belastingbeleid of zelfs de vernietigende kracht van de Wereldoorlogen alleen: nee, nee, een cruciale factor is Piketty’s aanname, gebaseerd op niets dan Soviet-propaganda over het verdwijnen van privaat kapitaal, dat die ratio in alle communistische landen overal en altijd precies 100% was, veel lager dan waar dan ook en wanneer dan ook.

Kapitaalgoederen
Een andere belangrijke factor die veel van de fluctuaties in Piketty’s maatstaven van kapitaal verklaart is variatie in de prijs van de kapitaalgoederen. Dat zorgt er bijvoorbeeld voor dat het er in Piketty’s datareeksen op lijkt dat veel van het kapitaal in Groot-Brittannië tijdens de Eerste Wereldoorlog verdween. In de praktijk doorstond praktisch al het fysieke kapitaal in Groot-Brittannië die oorlog ongeschonden, en zijn Piketty’s cijfers bovenal het resultaat van relatief lagere prijzen voor kapitaalgoederen tijdens en na de oorlog. In die zin vormen ze geen nuttige maatstaf van wat we normaal gesproken in de economische wetenschappen onder kapitaal verstaan: geproduceerde gebouwen, apparaten, computers, etc., die op hun beurt goederen en diensten (helpen) produceren. En dat brengt me tot de tweede vraag in de titel hierboven: wat is het “kapitaal” dat Piketty zo vreest?

Piketty bespreekt dat in het eerste hoofdstuk van zijn boek. Hij heeft het daar over “alle bezittingen die in een markt verhandelbaar zijn.” Dat zijn dus niet alleen de kapitaalgoederen die ik eerder noemde, maar ook woningen en land en financiële instrumenten*. Maar hoe tel je een woning en een printer bij elkaar op? Daar heb je marktwaarden voor nodig, en zoals we zagen schetsen fluctuerende prijzen dan af en toe een bedriegelijk beeld. Ingewikkelder nog wordt de situatie als je probeert rendementen te berekenen, zoals Piketty in zijn boek veel doet. Stel dat je fabriek 100 euro waard is, en je maakt 5 euro winst. Dat is een rendement van 5%, zo zou je zeggen. Maar waarom is die fabriek 100 euro waard? Omdat die je 5 euro winst per jaar oplevert**. Dat levert lastige cirkelredeneringen op die onvermijdelijk zijn wanneer je wilt vasthouden aan de idee dat je “kapitaal” aan het meten bent, in plaats van rijkdom***. En dat wil je, want dit klinkt meer zoals Marx en het verhult dat veel van wat je meet woonruimte is.

Stijgende huizenprijzen
Want dat is uiteindelijk wat Piketty’s dataseries laten zien. In Canada, Frankrijk, Groot-Brittannië, en de Verenigde Staten is de volledige toename van het kapitaal als percentage van het nationaal inkomen sinds de jaren ’70 een toename in de waarde van huizen. (Dat geldt alleen niet in Duitsland vanaf 1990, toen daar ’t een en ander gebeurde.) Dat komt dus niet door de rendementen die financiers uit hun fabrieken en investeringen halen, maar door, zegt u ’t maar, stijgende huizenprijzen. Ik geloof dat dat “probleem” door het barsten van de bubbel direct na het einde van Piketty’s datareeksen waarschijnlijk wel opgelost is.

*Wat is kapitaal volgens Piketty niet? Human capital en pensioenrechten, onder andere. Daarover in een toekomstige aflevering meer.

**Deze kritiek op marktwaardeberekeningen en gerelateerde problemen met productiefuncties leidden in de jaren ’50 en ‘60 tot de “Cambridge Capital Controversy” die Piketty volstrekt incorrect bespreekt in misschien wel de meest absurde passage van zijn boek, de voorlaatste sectie van Deel Twee. Een uitgebreide bespreking hiervan door de linkse econoom James K. Galbraith van de Universiteit van Texas waarin frustratie en onbegrip doorklinken over alles wat er niet aan klopt valt hier te bewonderen.

***Dit is waarschijnlijk de reden waarom in de peer reviewed versie van de kern het boek de term kapitaal stukken minder voorkomt, en veelal vervangen is door rijkdom.



from AEI » Latest Content http://ift.tt/1GtJwqc

0 التعليقات:

Post a Comment

Search Google

Blog Archive